Groepsaccountant negeert frauderisico dochtervennootschap

Betrokkene is openbaar accountant en was van 2003 tot en met 2013 controlerend accountant van klaagster. Klaagster is een holdingmaatschappij met verschillende deelnemingen, gespecialiseerd in transport over het water. Een van de deelnemingen van klaagster was een Duitse GmbH (66,6%). Betrokkene stelde onder meer de geconsolideerde jaarrekeningen van klaagster op en gaf daarbij steeds een goedkeurende verklaring af. Later bleek dat een medewerkster van de Duitse deelneming jarenlang fraude pleegde en ongeveer € 427.000 had onttrokken via overboekingen naar haar privérekeningen. De klacht houdt in dat betrokkene jarenlang onterecht een controleverklaring heeft afgegeven voor de geconsolideerde jaarrekening.

De Accountantskamer stelt voorop dat bij een dergelijke klacht van belang is dat uit het enkele feit dat er achteraf fraude is vastgesteld, nog niet automatisch volgt dat betrokkene de voor hem geldende beroeps- en gedragsregels heeft geschonden. Voor een accountant is wel van belang dat hij voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgt, teneinde te kunnen concluderen dat de geconsolideerde jaarrekening vrij is van materiële afwijkingen.

De hoeveelheid en de aard van die werkzaamheden worden bepaald door de risico-inschatting van de accountant, die zich daarbij dient te laten leiden door hetgeen dienaangaande in NVCOS 315 staat beschreven. In die Standaard is uiteengezet wanneer sprake is van een significant risico en dat bij het inschatten daarvan de accountant geen rekening mag houden met de aanwezige interne beheersingsmaatregelen (hierna: IB-maatregelen).

Als een frauderisico wordt geïdentificeerd, dan moeten ‘alle registers open’ en zal de accountant inzicht moeten verwerven in de IB-maatregelen van de entiteit die op dat risico betrekking hebben en in zijn respons gegevensgerichte controles moeten uitvoeren die specifiek op dat risico inspelen. Wanneer de aanpak van een significant risico slechts uit gegevensgerichte controles bestaat, dienen de werkzaamheden onder meer te bestaan uit detailcontroles. De accountant moet dus specifieke (‘toegespitste’) werkzaamheden uitvoeren om vast te stellen of dat risico zich heeft gemanifesteerd.

In NVOC 240 staat vermeld dat (met name) werknemersfraude vaak in kleine bedragen wordt gepleegd. Omdat de fraude gedurende een aantal jaren kan hebben plaatsgevonden, volstaat het bij het inschatten van het risico op een afwijking van materieel belang niet om slechts rekening te houden met de mogelijke omvang van de fraude op jaarbasis, maar brengt de vereiste professioneel-kritische instelling van de accountant met zich dat het mogelijke cumulatieve effect van de fraude op het eigen vermogen van de entiteit in aanmerking wordt genomen.

In het onderhavige geval had betrokkene met een professioneel-kritische instelling uit de kenbare gegevens van de deelneming waar de fraude plaatsvond, waaronder dat het een relatief kleine organisatie betrof waarin de betalingen nog handmatig geschiedden (in een tijd waarin elektronisch betalingsverkeer ‑ ook in Duitsland ‑ al lang gebruikelijk was) moeten begrijpen dat hier sprake was van een significant risico op een afwijking van materieel belang als gevolg van fraude en reeds daarom moeten overgaan tot een controle.

Juist nu betrokkene wist dat geen andere accountant aan het samenstellen van de jaarrekening van de deelneming te pas was gekomen, maar deze jaarrekening binnen de entiteit zelf was opgesteld. Betrokkene had, ook al was dat in beginsel niet met de cliënt overeengekomen, controlewerkzaamheden bij de deelneming moeten uitvoeren.

Nu sprake was van een significant risico, had betrokkene inzicht moeten verwerven in de IB-maatregelen van de entiteit die op dat risico betrekking hebben en in zijn respons gegevensgerichte controles moeten uitvoeren die specifiek op dat risico inspelen. De wel door betrokkene uitgevoerde werkzaamheden bij de deelneming, zoals een beperkte steekproef omtrent inkoopfacturen en betalingen en reisdossiers, voornamelijk gericht op autorisatie, leverden volstrekt onvoldoende controle-informatie op om daadwerkelijk het risico op fraude te mitigeren tot een aanvaardbaar niveau.

Omdat bij meergenoemd frauderisico ook het risico van cumulatie boven de materialiteitsgrens aanwezig was, kan niet met recht worden volgehouden dat de klacht ongegrond is, omdat de fraude in dit geval van te geringe betekenis was om van invloed te zijn op de getrouwheid van de geconsolideerde jaarrekening.

De Accountantskamer verklaart de klacht gegrond en acht een berisping passend en geboden, mede omdat betrokkenen nog niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

De Accountantskamer 19 mei 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:33

https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:TACAKN:2017:33