Hoger beroep BFT ongegrond: niet aannemelijk dat AA aanleiding had te veronderstellen dat de transacties verband zouden kunnen houden met witwassen

Betrokkene was werkzaam als accountants-administratieconsulent bij een accountantskantoor en had in die hoedanigheid kennis genomen van een aantal facturen van twee cliënten (projectontwikkelaars). Appellant (het BFT) deed later onderzoek naar deze facturen, en was van mening dat er sprake was van zeven ongebruikelijke transacties, waarvan betrokkene melding had moeten maken. Appellant diende een klacht in tegen betrokkene, die door de Accountantskamer ongegrond werd verklaard. Appellant is in beroep gegaan tegen de uitspraak van de Accountantskamer.

In hoger beroep overweegt het College dat de verplichting om een melding te doen niet alleen ontstaat wanneer er concrete aanwijzingen zijn voor witwassen of terrorismefinanciering, maar reeds wanneer een transactie ‘ongebruikelijk’ is. Artikel 16 van de Wwft heeft een (veel) ruimere strekking: iedere ongebruikelijke transactie behoort te worden gemeld.

Het College stelt evenwel dat in dit geval geen sprake was van een ongebruikelijke transactie. Betrokkene was al enige tijd werkzaam voor beide cliënten en was op de hoogte van de ins en outs van hun werkzaamheden. Betrokkene wist tevens dat de betalingen feitelijk waren voldaan, en dat de ‘fee’ of commissie gebaseerd was op het ontwikkelingsvolume van de vastgoedprojecten. Er was dus geen sprake van een vergoeding voor geleverde makelaarsdiensten, waardoor er dus ook geen sprake kon zijn van een wanverhouding tussen de geleverde prestaties en de betaalde bedragen.

Het College overweegt verder dat het enkele feit dat betalingen rechtstreeks zijn voldaan, en niet via een notaris op zichzelf niet leidt tot een meldingsplicht, althans niet zonder verdere onderbouwing.

Het College is derhalve van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene aanleiding had te veronderstellen dat de uit de facturen blijkende transacties verband kunnen houden met witwassen of financieren van terrorisme en dat zij om die reden die transacties had moeten melden.

Tot slot stelt het College dat de lijst met voorbeelden van subjectieve indicatoren slechts een hulpmiddel vormen bij de professionele oordeelsvorming en dat het uiteindelijk uitkomt op een feitelijke beoordeling of de accountant op basis van de feiten en omstandigheden destijds heeft kunnen beslissen dat geen sprake is van een ongebruikelijke transactie.

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2017:18

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2017:18