Hoger beroep BFT ongegrond, nu niet is aangetoond dat instelling bekend was met de ongebruikelijke transacties

Naar aanleiding van een bijzonder signaal heeft het BFT een onderzoek ingesteld naar de naleving van de Wwft door een fiscaal advies- en accountantskantoor (betrokkene) met betrekking tot één van haar klanten, een meubeldetailhandelbedrijf, waar zij de jaarrekeningen van samenstelde en administratieve bijstand aan verleende.

Naar aanleiding van dit onderzoek concludeert het BFT dat betrokkene niet heeft voldaan aan haar Wwft-verplichtingen. Volgens het BFT heeft betrokkene in de periode van 2011 tot en met 2013 de verplichtingen van het cliëntenonderzoek overtreden door bij de dienstverlening aan haar klant geen onderzoek te doen naar de omvang en herkomst van de contante betalingen. Daarnaast zou betrokkene hebben nagelaten melding te maken van een viertal contante aankopen bij haar klant voor bedragen van € 15.000 of meer. Ook zou betrokkene hebben nagelaten te melden dat haar klant bewust contante bedragen onder de meldgrens van € 15.000 heeft ingeboekt, alsook bewust contante bedragen kleiner dan € 15.000 heeft afgestort bij de bank (het zogenoemde ‘smurfen’ van geldbedragen). Daarmee heeft betrokkene volgens het BFT in deze periode zeven keer nagelaten een melding van een ongebruikelijke transactie te doen.

Het BFT heeft ter zake van de geconstateerde overtredingen aanvankelijk een boete opgelegd ter hoogte van € 42.000. In de bezwaarfase is de boete verlaagd naar € 28.000.

Uitspraak Rechtbank

In eerste aanleg is betrokkene deels in het gelijk gesteld. De Rechtbank heeft ten aanzien van het cliëntenonderzoek overwogen dat betrokkene – gelet op de hoeveelheid contante betalingen verricht aan haar klant – had moeten nagaan of aanscherping van het eerder vastgestelde risicoprofiel geboden was. Daar niet is gebleken dat betrokkene enige vorm van controle heeft uitgevoerd, heeft zij onvoldoende invulling gegeven aan het cliëntenonderzoek. Dat betekent echter niet dat betrokkene hierdoor ook ten onrechte heeft nagelaten de ongebruikelijke transacties te melden. Dat betrokkene bekend had kunnen worden met het ongebruikelijke karakter van de diverse concrete transacties leidt niet tot de conclusie dat zij door dit onderzoek na te laten verwijtbaar niet (tijd) heeft gemeld.

Omdat het beroep van betrokkene deels gegrond was heeft de Rechtbank de hoogte van de boete verminderd tot een bedrag vast € 21.000.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Het College overweegt in hoger beroep dat de omzet van de klant van betrokkene voor een substantieel deel bestond uit contante betalingen. De door de klant verrichte bancaire stortingen lopen uiteen van enkele duizenden euro’s tot ruim veertienduizend euro. Voor contante betalingen boven de € 15.000 had de klant bovendien een eigen meldingsplicht. Daarnaast overweegt het College dat betrokkene in het verleden ermee bekend was dat een factuur van haar klant in was betaald in de vorm van een reeks van kleinere contante betalingen.

Gelet op deze omstandigheden had betrokkene stelselmatig navraag moeten doen naar de herkomst van de stortingen bij de bank en had zij de onderliggende facturen moeten opvragen en verifiëren. Door in dit verband geen enkele controleactiviteit te verrichten, heeft betrokkene geen voortdurende controle op de zakelijke relatie uitgeoefend en wist zij daardoor niet of de transacties van haar klant overeenkwamen met de kennis die zij over haar klant had.

Ten aanzien van het verwijt dat betrokkene ten onrechte geen ongebruikelijke transacties heeft gemeld, stelt het College voorop dat de bewijslast inzake een op te leggen boete wegens overtreding van Wwft-bepalingen, op het BFT rust. Volgens het College heeft de Rechtbank in dit verband terecht overwogen dat daarvoor vereist is dat een instelling bekend is met een ongebruikelijke transactie en dit verwijtbaar niet (tijdig) meldt. Naar het oordeel van het College heeft het BFT niet aangetoond dat betrokkene bekend was met de vier contante aankopen van € 15.000.

In dit verband heeft betrokkene gemotiveerd betwist dat haar medewerkster inzage had in de betreffende verkoopfacturen welke haar cliënt bewust achterhield. Het BFT heeft daarentegen geen concrete gegevens overlegd waaruit blijkt dat de betreffende medewerkster zicht had op de betreffende verkoopfacturen van de klant. Uit de tijdens het onderzoek afgelegde verklaring dat de klant waarschijnlijk zou hebben ‘gesmurft’ bij het boeken van transacties, volgt niet dat betrokkene daadwerkelijk kennis had van die individuele transacties.

Met betrekking tot de overige drie door het BFT geconstateerde overtredingen overweegt het College dat het BFT deze in zodanig algemene bewoordingen heeft omschreven dat zonder nadere motivering – die is uitgebleven – niet kan worden vastgesteld op welke concrete transacties de door BFT gestelde schending van de meldingsplicht betrekking heeft. Het College is derhalve van oordeel dat betrokkene de meldingsplicht ingevolge artikel 16 Wwft niet heeft geschonden.

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak van de Rechtbank.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:48.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:48