Hoger beroep Openbaar Ministerie ongegrond, nu niet is gebleken dat RA belastingfraude heeft gefaciliteerd

Betrokkene is werkzaam als registeraccountant. Op 10 januari 2013 werd op de bankrekening van een cliënt van betrokkene een bedrag van ruim € 403.000 bijgeschreven. Dit bedrag is afkomstig van een Belgische bankrekening van de moeder van de cliënt. Over de titel (schenking of lening) waaronder het bedrag werd overgemaakt, is onduidelijkheid ontstaan.

In 2016 is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar het handelen van de cliënt en het handelen van betrokkene. Het Openbaar Ministerie (hierna: appellant) heeft naar aanleiding van dit onderzoek een klacht ingediend tegen betrokkene bij de Accountantskamer. Aan deze klacht ligt onder meer het verwijt ten grondslag dat betrokkene zijn cliënt in verregaande mate heeft gefaciliteerd bij het plegen van belastingfraude.

In eerste aanleg heeft de Accountantskamer de klacht op andere onderdelen deels gegrond verklaard. Voor zover de klacht zag op schending van het fundamentele beginsel van integriteit, verklaarde de Accountantskamer haar ongegrond. Tegen deze beslissing van de Accountantskamer heeft appellant hoger beroep aangetekend.

In hoger beroep betoogt appellant dat altijd sprake is geweest van een schenking en door betrokkene achteraf het beeld is gecreëerd dat er reeds bij de overboeking sprake was van een lening. Om die fiscale schijnwerkelijkheid kracht bij te zetten heeft betrokkene documenten gemanipuleerd en ter overtuiging aan de Belastingdienst overgelegd. Daarnaast zijn door of onder verantwoordelijkheid van betrokkene belastingaangiften ingediend die zijn gebaseerd op deze onjuiste voorstelling van zaken. Uit deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat sprake is van een achteraf gecreëerde fiscale schijnrealiteit. Hiermee heeft betrokkene het fundamentele beginsel van integriteit met voeten heeft getreden, aldus appellant.

Het College volgt appellant niet. Daarbij stelt het College voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene zijn cliënt al meerdere jaren voorzag van financieel advies op het gebied van Estate planning. Ook is niet in geschil dat het relatief gebruikelijk is dat wanneer ouders geld overmaken naar kinderen, wordt gezocht naar de fiscaal meest gunstige constructie. De constructie van een lening, waarbij de afgesproken terugbetalingen vervolgens periodiek worden kwijtgescholden, betreft ook volgens de verklaring van appellant ter zitting normaliter een legitieme transactie.

Het College waardeert de ‘bewijsstukken’ van appellant anders, omdat daaruit niet blijkt of het de bedoeling van moeder en zoon was om het geldbedrag als schenking aan te merken. Ook het gegeven dat de cliënt achteraf (middels een transactie met het OM) alsnog akkoord is gegaan met het aanmerken van het geldbedrag als schenking acht het College in dit verband niet van belang. Het gaat in deze zaak om de handelwijze van betrokkene in de periode januari 2013 tot medio/eind 2015. De fiscale afwikkeling dateert van geruime tijd daarna. Ook is onduidelijk wat de beweegredenen van de cliënt waren om akkoord te gaan met een transactie. Die transactie is op zichzelf genomen onvoldoende om aan te nemen dat van meet af aan duidelijk was dat sprake was van een schenking.

Dat betrokkene achteraf documenten heeft gemanipuleerd, met als doel om zijn cliënt te faciliteren bij het plegen van belastingfraude, is eveneens onvoldoende komen vast te staan. De resultaten van het door de Belastingdienst/Douane (team Documentenonderzoek) in november 2106 uitgevoerde forensische onderzoek naar de handgeschreven notities zijn daarvoor niet eenduidig genoeg.

Dat appellant heeft gehandeld in strijd met het beginsel van integriteit, dan wel dat hij zijn cliënt opzettelijk zou hebben gefaciliteerd bij het plegen van belastingfraude, is dan ook niet gebleken. De grief slaagt niet.

In de tweede grief betoogt appellant dat de hoogte van de opgelegde maatregel van berisping in geen geval recht doet aan de feiten en verzoekt appellant om oplegging van de maatregel van een (tijdelijke) doorhaling. Het College acht de door de Accountantskamer opgelegde maatregel van berisping evenwel passend en geboden. Voor een verdergaande maatregel ziet het College gelet op de voorgaande overwegingen geen aanleiding.

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:137.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:137