Klacht van voormalig kantoordirecteur tegen maten van het kantoor ongegrond

De maten van het kantoor van betrokkenen, waaronder betrokkenen zelf, zijn verwikkeld in een civiele procedure met hun voormalige kantoordirecteur over de door deze gevorderde bonus.

In de civiele procedure stelde klager zich op het standpunt dat hij recht had op een hogere vergoeding dan hij in 2014 en 2015 had ontvangen. In de arbeidsovereenkomst met klager was bepaald dat hij recht had op een bonus van 10% van het deel van het resultaat van het accountantskantoor uitgaand boven de € 2.3 miljoen, met een maximum van € 30.000. Klager betwist de juistheid van de jaarrekeningen 2014 en 2015 van het accountantskantoor, omdat zij volgens hem niet het juiste resultaat weergeven. Volgens klager is bij het uittreden van twee maten per 1 januari 2015 een extra winstuitkering aan deze uittreders betaald.

Klager is in de civiele procedure in twee instanties in het ongelijk gesteld, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake zou zijn van een andere in aanmerking te nemen winst. Toch dient klager een tuchtklacht in.

Volgens klager verschuilen betrokkenen zich achter een ‘oude’ jaarrekening die uiteindelijk niet door de vennoten als ‘definitieve’ jaarrekening is aangemerkt. Daarnaast zouden betrokkenen bij de verdediging van de hoogte van de bonus standpunten innemen, die niet verdedigbaar zijn, omdat de jaarwinst had moeten worden gecorrigeerd met de rente en afschrijving van de goodwill.

De Accountantskamer gaat bij de beoordeling van de klacht ervan uit dat betrokkenen volledig tuchtrechtelijk verantwoordelijk mogen worden gehouden voor de door het accountantskantoor in de civiele procedure ingenomen standpunten.

Volgens vaste jurisprudentie kan evenwel het door een accountant al dan niet in rechte innemen van een civielrechtelijk standpunt, behoudens bijzondere omstandigheden, niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt leiden. Van zulke bijzondere omstandigheden zou bijvoorbeeld sprake zijn indien een door een accountant ingenomen standpunt bewust onjuist of misleidend en dus te kwader trouw blijkt te zijn of moet worden opgevat als het accountantsberoep in diskrediet brengend.

De Accountantskamer is in deze zaak van oordeel dat klager met al hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Klager heeft, tegenover de uitvoerige en gemotiveerde weerspreking van betrokkenen ervan, niet aannemelijk gemaakt dat de jaarrekeningen 2014 en 2015 van het accountantskantoor, waarvan het resultaat als grondslag diende van de aan klager te betalen winstbonussen, niet zouden deugen. Laat staan dat betrokkenen daarover bewust onjuiste of misleidende standpunten zouden hebben ingenomen. De klacht moet daarom ongegrond worden verklaard.

Accountantskamer 23 maart 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:14

http://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2018/ECLI_NL_TACAKN_2018_14?DomeinNaam=accountants&Pagina=1&ItemIndex=3