Klachten SOBI over kennis van fraude bij dochteronderneming van klant ongegrond

Deze klachtzaak is verbonden met de klachtzaken van de AFM tegen twee accountants inzake commissiebetalingen. Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie is de klaagster en zij verwijt twee accountants dat zij jarenlang kennis hebben gehad van omkopingsfraude bij de dochteronderneming van een door hen gecontroleerde onderneming en hebben nagelaten de fraude aan de bevoegde autoriteiten te melden.

Klaagster heeft daarbij alleen gewezen op drie in het NRC gepubliceerde krantenartikelen, welke maar deels zijn overgelegd. Daarmee heeft klaagster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkenen kennis hadden van de beweerdelijke fraude. Daarnaast overweegt de Accountantskamer dat voor zover zij al kennis zouden hebben gehad van de beweerde fraude en op (één van) hen een wettelijke verplichting tot melding van fraude aan bevoegde autoriteiten zou rusten, dat klaagster nog niet het begin van bewijs heeft aangedragen dat betrokkenen ook daadwerkelijk geen melding hebben gedaan.

Daarbij tekent de Accountantskamer aan dat de Wwft aan een accountant geheimhouding oplegt over het feit of door hem of zijn accountantsorganisatie een FIU-melding is gedaan. Het zou strijdig zijn met de eisen van een goede tuchtprocesorde, indien een ieder door het indienen van een (niet met voldoende feiten onderbouwde) tuchtklacht een accountant ter afwering van die tuchtklacht zou kunnen dwingen deze geheimhoudingsplicht te doorbreken. Dat zou neerkomen op een ‘fishing expedition’ door de klager.

De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond.

https://tuchtrecht.overheid.nl/zoeken/resultaat/uitspraak/2020/ECLI_NL_TACAKN_2020_41