Krantenartikelen NRC onvoldoende onderbouwing voor standpunt dat betrokkenen op de hoogte waren van omkopingsfraude

De Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie (de SOBI) heeft een omvangrijke klacht ingediend tegen zeven accountants die in de periode 2010-2015 goedkeurende verklaringen hebben gegeven bij de jaarrekeningen van meerdere ondernemingen. De SOBI is een stichting die schuldeisers, ondernemingsraden en aandeelhouders adviseert.

De klacht van klaagster bestaat uit drie onderdelen. Allereerst zouden alle zeven betrokkenen jarenlang hebben geweten dat sprake was van omkopingsfraude bij de betreffende ondernemingen. Daarnaast zouden zij ten onrechte hebben nagelaten dit te melden bij de bevoegde instanties. Zij hebben daarbij het belang van de cliënten zwaarder laten wegen dan hun integriteit. Voorts wordt één van de betrokkenen verweten dat hij medio 2015 de benoemding tot lid van de raad van toezicht van de AFM heeft geaccepteerd, terwijl hij moest beseffen voor die functie ongeschikt te zijn doordat hij heeft nagelaten de hem bekend geworden, gepleegde fraudes aan de bevoegde instanties te melden.

Klaagster heeft haar klacht onderbouwd met een drietal krantenartikelen uit de NRC. Klaagster wijst met name op een memo van 3 februari 2010 dat volgens klaagster wordt genoemd in een krantenartikel uit de NRC van 27 februari 2017. Volgens klaagster heeft het directielid in dit memo geschreven dat de accountant het bedrijf reeds twee maanden eerder had gewaarschuwd dat de betaling van commissies beschouwd zouden kunnen worden als omkoping. Tevens stelt klaagster dat het accountantskantoor waar betrokkenen werkzaam waren, een afschrift van dit memo heeft ontvangen.

Betrokkenen hebben als inhoudelijk verweer aangevoerd dat klaagster met een enkele verwijzing naar een drietal krantenartikelen niet heeft voldaan aan de stelplicht en bewijslast. Betrokkenen voeren tevens aan dat zij in de door klaagster aangegeven periode geen kennis hebben gehad van de beweerdelijke fraude, zonder welke een verwijt van het nalaten van het melden daarvan reeds daarom ongegrond is.

De Accountantskamer volgt de betrokkenen hierin en oordeelt dat klaagster door middel van de krantenartikelen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkenen wisten van de fraude. De Accountantskamer overweegt voorts nog dat voor betrokkenen (1) tot en met (6) heeft te gelden dat mochten zij veronderstellende wijs kennis hebben gehad van de vermeende fraude, op hen niet de verplichting rust(te) deze te melden. Deze meldplicht gold (gedurende de periode waarvoor klaagster hen een verwijt maakt) onder voorwaarden alleen voor de controlerend accountant.

Vervolgens overweegt de Accountantskamer ten aanzien van alle betrokkenen, (voor zover zij al kennis zouden hebben gehad van de beweerde fraudes en voor zover al op (één van) hen een wettelijke verplichting tot melding van fraudes aan bevoegde autoriteiten zou rusten,) dat klaagster, op wie in dezen de bewijslast rust, nog niet het begin van bewijs heeft aangedragen dat betrokkenen ook daadwerkelijk geen melding hebben gedaan. Daarbij tekent de Accountantskamer aan dat bijvoorbeeld paragraaf 3.5 van de Wet witwassen en financiering terrorisme inderdaad aan een accountant geheimhouding oplegt over het feit of door hem of zijn accountantsorganisatie een FIU-melding is gedaan. Het zou strijdig zijn met de eisen van een goede tuchtprocesorde, indien een ieder door het indienen van een (niet met voldoende feiten onderbouwde) tuchtklacht, de facto een zogenaamde fishing expedition, een accountant ter afwering van die tuchtklacht zou kunnen dwingen deze geheimhoudingsplicht te doorbreken.

De klachten tegen alle betrokkenen worden ongegrond verklaard.

De Accountantskamer 16 juli 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:54