Minister reageert op vragen van de Eerste Kamer over het UBO-register

Op 17 februari 2020 heeft minister van financiën Hoekstra zijn Memorie van Antwoord naar de Eerste Kamer gestuurd. Daarin beantwoordt hij vragen die de Kamerleden over het UBO-register hadden gesteld. Hieronder worden enkele punten vermeld die door de minister zijn verduidelijkt.

Samenhang UBO-register en Wwft

Voor Wwft-instellingen was onduidelijk of zij in de eerste 18 maanden na de inwerkingtreding van het UBO-register al een terugmeldverplichting hebben. De minister verduidelijkt nu dat dat alleen zo is als de cliënt van de Wwft-instelling al in het UBO-register is opgenomen. Als de cliënt zich gedurende de overgangsperiode van 18 maanden nog niet heeft geregistreerd in het UBO-register, dan is er geen terugmeldverplichting voor de Wwft-instelling.

Verduidelijkt wordt verder dat, ingeval een bestuur van een rechtspersoon als ‘pseudo-UBO’ wordt aangemerkt, het gehele bestuur geregistreerd dient te worden. De minister ziet geen reden om onderscheid te maken tussen de diverse bestuurders. Ook voor de Wwft zal dit worden verduidelijkt.

Beursgenoteerde vennootschappen en hun 100% groepsvennootschappen hoeven geen UBO’s te registreren. Ook onder de Wwft hoeft van dergelijke vennootschappen geen UBO te worden geregistreerd.

Meer in zijn algemeenheid wil de minister discrepanties voorkomen tussen UBO-definities voor het UBO-register en voor de Wwft. Hij laat daarom weten dat de Kamer van Koophandel voorlichting zal gaan ontwikkelen om de UBO te bepalen, en dat daarbij Wwft-instellingen betrokken zullen worden.

Overgangsperiode

Een kwalificerende rechtspersoon dient zich binnen 18 maanden na inwerkingtreding van de wet in het UBO-register te registreren. Als zich voorafgaand aan die registratie een UBO-wijziging heeft voorgedaan, behoeft deze niet gemeld te werden. Alleen UBO-wijzigingen na het moment van eerste registratie dienen aan de Kamer van Koophandel te worden doorgegeven.

Verder gaat de minister in op de hernieuwde inschrijvingsplicht die gaat gelden voor bepaalde ondernemingen van (personen)vennootschappen die weliswaar naar Nederlands recht zijn opgericht maar geen onderneming in Nederland (meer) drijven. Omdat het UBO-register uitgaat van het oprichtingscriterium, en het UBO-register in Nederland wordt gekoppeld aan het handelsregister, zullen deze vennootschappen zich opnieuw in het handelsregister moeten inschrijven. Zij zullen hiertoe door de Kamer van Koophandel worden aangeschreven. Overigens geldt het UBO-register ook voor buitenlandse vennootschappen die hun zetel naar Nederland verplaatsen, aangezien zij zich ook in het Nederlandse handelsregister dienen te registreren. Voor die vennootschappen maakt het dus niet uit dat zij niet naar Nederlands recht zijn opgericht.

Donatieregister voor stichtingen

Een onderwerp dat in de Eerste Kamer de nodige vragen opriep was de verplichting voor stichtingen om een register bij te houden van donaties van minder dan 25% van het in een jaar voor uitkering beschikbare bedrag. Deze donaties dienen voortaan in een administratief register te worden bijgehouden (art. 2:290 BW). De minister verduidelijkt dat dit gezien moet worden als een specificering van de administratieplicht van art. 2:10 BW die ook voor stichtingen geldt. Van stichtingen wordt niet gevraagd om meer gegevens te verzamelen over de personen aan wie zij doneren dan zij nu reeds op grond van hun boekhoudverplichting doen.