Ondanks deels gegrond beroep bij het CBb blijft berisping van de Accountantskamer in stand

Een accountant [appellant] heeft door de Accountantskamer de maatregel van berisping opgelegd gekregen omdat hij ten onrechte een goedkeurende controleverklaring had afgegeven bij een jaarrekening over het jaar 2010 van een vennootschap (zie ECLI:NL:TACAKN:2014:22). Hij had in de jaarrekening de financiële positie van deze vennootschap te positief weergegeven doordat de deelneming daarin voor een (materieel) te hoog bedrag was opgenomen. In dat verband heeft de Accountantskamer geoordeeld dat appellant onder andere over ontoereikende controle-informatie beschikte ten aanzien van de waardering van een stuk grond. Daarnaast zou appellant ten onrechte de beslissing van het bestuur van de vennootschap om de agioreserve, niet als wettelijke reserve deelneming aan te merken, hebben aanvaard. Ten slotte is de onjuiste vermelding van de aandeelhouders in de jaarrekening 2010 tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht. Appellant richt zich tot het CBb maar de bestreden uitspraak blijft grotendeels in stand.

Bij de waardebepaling van de grond van het bouwterrein was uitgegaan van een taxatierapport in 2008 met een ‘optimale’ ontwikkelingsscenario. Gelet op de wereldwijde economische crisis van 2008, kon er niet zonder meer van uitgegaan worden dat een taxatierapport uit dit jaar een deugdelijke grondslag kon bieden voor de waardering van een grondpositie in 2010. Appellant had zich dus ervan moeten vergewissen of de taxatie uit 2008 ook in 2010 nog voldoende representatief was.

Het CBb oordeelt dat de grief slaagt wat betreft het verwijt dat appellant ten onrechte heeft goedgekeurd om de agioreserve, die is ontstaan bij de verkrijging van de aandelen, niet als wettelijke reserve deelneming aan te merken. Het CBb is met appellant van oordeel dat de letterlijke tekst van art. 2:389, zesde lid, BW, noch de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, een aanknopingspunt biedt om na overdracht van de deelneming binnen de groep, een wettelijke reserve te vormen. Van een waardevermeerdering sinds de verkrijging van de deelneming is dan immers geen sprake. In het kader van deze tuchtrechtelijke procedure moet geconstateerd worden dat appellant zich heeft gehouden aan de wet, zodat bezwaarlijk vol te houden is dat appellant in zoverre iets tuchtrechtelijk te verwijten zou zijn.

Ten aanzien van het verwijt met betrekking tot de onjuiste vermelding van de aandeelhouders in de jaarrekening 2010 overweegt het CBb dat de accountantskamer ten onrechte aan appellant heeft tegengeworpen dat hij de aandeelhoudersbelangen had moeten verifiëren in het handelsregister. Het CBb oordeelt dat appellant terecht in beroep naar voren heeft gebracht dat in het handelsregister alleen 100%-aandeelhouders vermeld worden, zodat appellant in het handelsregister niet had kunnen zien dat 70% van de aandelen niet langer aan de voormalige aandeelhoudster toebehoorde. De grief van appellant slaagt in zoverre. Niettemin heeft de Accountantskamer naar het oordeel van het CBb terecht geoordeeld dat appellant ook hier tekort is geschoten. In dit geval had appellant actief en kritisch inlichtingen moeten vragen over het aandeelhouderschap.

Ten aanzien van de opgelegde maatregel overweegt het CBb dat de waarde van de grondpositie van onbetwist groot belang was en dat appellant ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de waardering van de grondpositie tekort is geschoten in zijn controlewerkzaamheden. Gelet hierop acht het CBb – evenals de Accountantskamer – de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:377

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2016:377