Onenigheid tussen fiscalist en accountants bij verkoop van hun onderneming

Een fiscalist (klager) kocht samen met drie andere accountants (betrokkenen) een onderneming [E] die later niet lucratief bleek te zijn. Betrokkenen besloten de onderneming vervolgens te verkopen en kwamen uit op een verkoopbedrag van € 9.200. Klager vroeg als mede eigenaar naar de berekening van dit bedrag aangezien hij naar eigen zeggen niet was uitgenodigd voor een aandeelhoudersvergadering.

Nadat klager geen stukken toegestuurd kreeg richtte hij zich door middel van de klokkenluidersregeling tot de compliance officer van een accountants en belastingadvies kantoor [C]. Klager was aan dit kantoor verbonden als fiscalist en de betrokkenen als accountant. De compliance officer van [C] stelde echter dat het een privékwestie betrof waardoor het de kantoororganisatie te buiten ging.

De Accountantskamer is van oordeel dat de compliance officer heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit door de werkelijke situatie niet geheel juist weer te geven. Het betrof namelijk geen privékwestie aangezien de werkzaamheden voor het bedrijf deels tijdens kantoortijden zijn verricht. De overige betrokkenen waren op de hoogte van het handelen van de compliance officer, maar hebben geen maatregelen getroffen om de mededeling van hem te rectificeren, dan wel te nuanceren. Dit brengt met zich dat ook zij in strijd hebben gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit.

Volgens vaste jurisprudentie van de Accountantskamer wordt in klachtzaken waarin wordt geoordeeld dat sprake is van een schending van het fundamentele beginsel van integriteit de maatregel van berisping opgelegd. De Accountantskamer acht echter in afwijking hiervan in deze klachtzaken de maatregel van waarschuwing passend en geboden, omdat de zaak voortvloeit uit de verkoop van een onderneming, gedreven in de vorm van een vennootschap, waarvan zij aandeelhouder zijn, niet zijnde een accountantsorganisatie. Daarnaast hebben twee betrokkenen voortdurend getracht met klager in gesprek te gaan om deze kwestie in onderling overleg als aandeelhouders op te lossen, hetgeen klager in eerste instantie heeft geweigerd. Betrokkenen zijn tot slot niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld.

Bron

De Accountantskamer 16 september 2016, ECLI:NL:TACAKN:2016:94

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TACAKN__2016__94