Ook het College is van oordeel dat RA onafhankelijk en onpartijdig heeft gehandeld

De aandeelhouder van appellante organiseerde samen met zijn compagnon [C] onder andere motorevenementen op TT Assen, maar hij stopte hiermee en droeg zijn aandelen over aan [C]. Betrokkene is registeraccountant en is door appellante en [C] aangesteld om tot een bindende vaststelling te komen van de waarde van de aandelen van hun BV. Appellante heeft bij de Accountantskamer de juistheid van het advies betwijfeld en verwijt betrokkene dat hij zijn werk niet goed en onafhankelijk heeft gedaan. De Accountantskamer heeft de klachten van appellante ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van appellante komt er in de kern op neer dat de Accountantskamer onvoldoende inhoudelijk zou zijn ingegaan op de verwijten van appellant richting betrokkene.

Het College is echter evenals de Accountantskamer van oordeel dat het enkele feit dat betrokkene niet (op alle punten) de opvatting van appellante heeft gevolgd, niet de conclusie rechtvaardigt dat betrokkene niet onafhankelijk en onpartijdig is geweest.

Uit het rapport blijkt dat betrokkene heeft geconstateerd dat appellante en [C] een sterk uiteenlopende visie hadden over de waardering van de onderneming. Betrokkene heeft zijn keuze voor de waarderingsmethode echter uitgebreid toegelicht. Daarnaast heeft betrokkene bewerkstelligd dat de volledige administratie tot en met het jaar 2011 aan appellante ter beschikking werd gesteld opdat appellante een opstelling kon maken van posten die in haar visie ten onrechte als zakelijke posten waren verantwoord. Dit heeft geleid tot een lijst van 63 punten, die vervolgens tijdens een bijeenkomst met alle partijen zijn besproken. Met de Accountantskamer oordeelt het College dat niet is gebleken van omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat betrokkene in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit heeft gehandeld.

Ten aanzien van de gestelde onjuistheden in het rapport oordeelt het College dat betrokkene als bindend adviseur een grote beoordelingsvrijheid toekomt bij de invulling en uitvoering van de opdracht. Mede op grond daarvan kan betrokkene niet tuchtrechtelijk worden verweten diverse kosten (management fee, race- en BMX-kosten en de claim van derden) in aanmerking te hebben genomen bij de waardering van de onderneming. Partijen zijn door betrokkene in de gelegenheid gesteld hun visie op deze kosten kenbaar te maken en betrokkene heeft zijn keuzes in het rapport afdoende gemotiveerd. Het College ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat betrokkene ten aanzien van deze posten onjuiste standpunten heeft ingenomen.

Gelet op de omstandigheden in deze zaak is evenmin gebleken dat de opdracht onredelijk lang heeft geduurd. Ook daarin kan geen aanleiding worden gevonden voor een tuchtrechtelijk verwijt. Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 5 december 2017, ECLI:NL:CBB:2017:501

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2017:501