Registeraccountant wordt maatregel van berisping opgelegd wegens het geven van onjuiste en onvolledige adviezen inzake een investering

Klager heeft in 2012 een zogeheten gouden handdruk ontvangen van afgerond € 480.000, welk bedrag hij wilde beleggen. Dit bedrag is door klager ondergebracht in een stamrechtvennootschap (B.V.) waarvan klager ook bestuurder is. Betrokkene, zijnde een registeraccountant, heeft klager geïnformeerd over mogelijke investeringen in een onderneming en een bedrijfsverzamelgebouw (Business Center). Inzake de investering in het bedrijfsverzamelgebouw heeft betrokkene voor klager businessmodellen/overzichten opgesteld en aan hem toegezonden. Hierop is klager een participatieovereenkomst aangegaan, waarbij hij een belang van 12,5% in het Business Center heeft verwerft. De participatieovereenkomst is door, dan wel onder supervisie van, betrokkene opgesteld. Betrokkene heeft tevens vanaf 2007 accountantswerkzaamheden verricht voor de verkoper van het belang in het Business Center en voor door hem beheerste besloten vennootschappen.

Klager verwijt betrokkene dat de reeds lang bestaande relatie tussen betrokkene en de verkoper ervoor zorgde dat betrokkene hem niet meer objectief kon informeren inzake investeringen in vastgoed of ondernemingen van verkoper. Daarnaast wordt betrokkene verweten dat hij aan klager onjuiste en onvolledige adviezen heeft gegeven inzake voormelde investeringen en hem niet heeft gewezen op bestaande risico’s.

Klager heeft ter zitting verklaard dat hij bij aanvang van de werkzaamheden van betrokkene wist dat deze ook werkzaamheden verrichtte voor de verkoper. De Accountantskamer is daarom van oordeel dat klager de belangenverstrengeling heeft kunnen constateren vóórafgaande aan het sluiten van de participatieovereenkomst. De eerste klacht wordt door de Accountantskamer dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

Wat betreft de onjuist- en onvolledigheid van de adviezen van betrokkene, heeft de Accountantskamer geoordeeld dat de businessmodellen/overzichten kenmerken hebben van de uitkomsten van een onderzoek van toekomstgerichte financiële informatie, welke opdracht nooit is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Evenmin heeft betrokkene de grenzen van zijn opdracht afgebakend. Daarnaast heeft betrokkene niet vermeld dat zijn berekeningen zijn gebaseerd op de administratie zoals die door de verkoper is gevoerd en dat voor de waardering van het vastgoed uitgegaan is van een door de verkoper overgelegd taxatierapport. Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat de berekeningen zijn uitgevoerd op basis van de uitgangspunten van partijen, maar dit blijkt volgens de Accountantskamer niet uit de overgelegde stukken. In de businessmodellen/overzichten ontbreekt voorts een mededeling over de geboden assurance en een waarschuwing over de realiseerbaarheid van de uitkomsten van de informatie in de businessmodellen/overzichten. Deze voldoen dan ook niet aan de toepasselijke beroepsregels.

Betrokkene heeft verder nog aangevoerd dat hij niet als beleggingsadviseur van klager is opgetreden, maar dat hij in meer algemene zin een informatieverstrekkende en toelichtende rol voor beide partijen had. De Accountantskamer is echter van oordeel dat, ook in het geval dat de rol van betrokkene beperkt was tot een toelichtende, hij daarin in de hiervoor omschreven opzichten te kort is geschoten. Ook bij een toelichtende rol had betrokkene immers bij de uitvoering van de opdracht van klager moeten voldoen aan de toepasselijke beroepsregels.

Gelet op het voorgaande komt de Accountantskamer tot de conclusie dat betrokkene onvoldoende heeft onderkend wat de inhoud van zijn werkzaamheden ten behoeve van klager is geweest.  Dat heeft ertoe geleid dat hij de toepasselijke beroepsregels niet in acht heeft genomen en heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en professionaliteit. De klacht is in zoverre gegrond.

De registeraccountant wordt een maatregel van berisping opgelegd. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat betrokkene onvoldoende heeft onderkend wat de aard van zijn werkzaamheden was en welke eisen daaraan gesteld mogen worden op grond van de toepasselijke gedrags- en beroepsregels, laat staan dat hij over de gevolgen daarvan heeft nagedacht.

Accountantskamer 20 oktober 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:69

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2017_69