Tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen bij overname bedrijf

Klaagster is een onderneming waarvoor betrokkenen (twee registeraccountants in de uitspraak genoemd [Y1] en [Y2]) diensten verleenden, zoals de controle van de jaarrekeningen van klaagster en de advisering over een overname van een onderneming. Deze onderneming bleek later zwaar verliesgevend te zijn.

De klacht houdt in dat betrokkenen hebben gehandeld in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels. Betrokkenen zouden volgens klaagster (onder meer) ten onrechte geen schriftelijke opdrachtbevestiging hebben verstrekt met betrekking tot hun werkzaamheden in het kader van de overname. Daarnaast zouden zij met een brief aan de bank van klaagster een groter vertrouwen hebben gewekt, dan op grond van de verrichtte werkzaamheden door betrokkenen gerechtvaardigd was.

Ten aanzien van de eerste klacht overweegt de Accountantskamer dat niet in geschil is dat klaagster voor de termijn van artikel 22 lid 1 Wtra (3 jaar) bekend was met het feit dat de opdracht ter zake van de overname niet schriftelijk was bevestigd. Echter, de Accountantskamer stelt dat daarmee nog niet is gezegd dat klaagster toen ook bekend was met het tuchtrechtelijk verwijtbare karakter van deze nalatigheid. Door de specifieke eisen die NVCOS 5500N stelt aan een schriftelijke bevestiging van de opdracht, kan niet worden gezegd dat bekendheid van het ontbreken van de schriftelijke bevestiging, tevens de bekendheid met de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid impliceert. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan klaagster deze kennis wel zou hebben gehad, hebben betrokkenen niet naar voren gebracht. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van betrokkenen faalt aldus.

Over de brief aan de bank oordeelt de Accountantskamer dat zij feitelijk niet kan vaststellen of deze brief daadwerkelijk een groter vertrouwen heeft gewekt bij de bank dan gerechtvaardigd was. Voorts overweegt de Accountantskamer echter dat de klacht er klaarblijkelijk ook toe strekt dat de brief dat (onterechte) vertrouwen kon wekken. In zoverre acht de Accountantskamer de klacht gegrond. Zo verklaarde één van de betrokkenen dat hij op het moment van versturen van de brief al voorzag dat hij over de geconsolideerde jaarrekening 2012 van de over te nemen onderneming geen goedkeurende verklaring zou kunnen afgeven, omdat een deugdelijke projectadministratie ontbrak. Deze verwachting is echter niet vermeld in de brief aan de bank. De verwijtbaarheid van dit handelen wordt versterkt door de opmerking in de brief dat betrokkenen met geen onzekerheden bekend zijn die nog tot mogelijke verliezen zouden kunnen leiden.

Betrokkenen hebben verzuimd om de opdracht tot het verrichten van adviesdiensten schriftelijk vast te leggen en daarmee het risico in het leven geroepen dat over en weer onvoldoende duidelijkheid zou ontstaan over deze dienstverlening en wat klaagster daarbij van betrokkenen mocht verwachten. Daarnaast hebben betrokkenen met hun brief aan de bank onterechte verwachtingen omtrent de betrouwbaarheid van de projectadministratie kunnen wekken en daarmee van de gepresenteerde resultaten. De Accountantskamer rekent betrokkene [Y1], als voor de controle (eind)verantwoordelijk accountant en ondertekenaar van de brief in dit verband een zwaardere verantwoordelijkheid aan dan [Y2], als opsteller van de brief. De Accountantskamer acht, alles afwegende, voor [Y1] de maatregel van berisping passend en geboden en voor [Y2] de maatregel van waarschuwing.

Accountantskamer 21 juli 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:45

https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:TACAKN:2017:45