Twee opzeggingen zonder waarschuwing, waarvan in één geval te abrupt

Betrokkenen zijn accountants er verrichte voor klaagster controlewerkzaamheden. In 2015 zijn op twee verschillende momenten de controleopdrachten voor 2013 en 2014 opgezegd door betrokkenen. Klaagster heeft hierover een klacht ingediend.

De klacht is tweeledig. Allereerst zouden betrokkenen hun controlewerkzaamheden niet voortvarend en tijdig hebben uitgeoefend. Daarnaast zouden betrokkenen hun controleopdrachten te abrupt hebben teruggegeven.

De Accountantskamer stelt vooreerst vast dat klaagster, die een snel groeiende, relatief jonge onderneming exploiteert, in 2012 voor het eerst te maken kreeg met wettelijke controles en dat voor betrokkenen wettelijke controles niet tot de hoofdtaak voor hun werkzaamheden behoorden. Mede gelet hierop constateert de Accountantskamer dat er over en weer irritatie is ontstaan bij het uitvoeren van de controlewerkzaamheden. Desalniettemin stelt de Accountantskamer vast dat klaagsters onvoldoende hebben onderbouwd dat betrokkenen hun controlewerkzaamheden niet voortvarend en/of tijdig hebben uitgevoerd.

Ten aanzien van de opzegging stelt de Accountantskamer vast dat er geen specifieke wettelijke bepalingen zijn die deze opzegging regelen. De Accountantskamer overweegt dat zij in eerdere rechtspraak heeft beslist dat een accountant bij de opzegging van een opdracht de fundamentele beginselen van deskundigheid, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid in acht dient te nemen. Dat houdt onder meer in dat de accountant eerst zijn bevindingen rapporteert bij de directie van opdrachtgever en die op de hoogte brengt van zijn voorgenomen tot opzeggen. Slechts indien betrokkenen dat hadden gedaan, zo stelt de Accountantskamer, hadden zij kunnen volstaan met een voorafgaande waarschuwing en een korte opzegtermijn.

Ten aanzien van de twee opzeggingen oordeelt de Accountantskamer dat de opzegging van de controleopdracht voor 2014 niet te abrupt was. Een reactie op de gemotiveerde opzeggingsbrief van 19 oktober 2015 is uitgebleven. Eerst bijna een maand later vindt een gesprek plaats en nog weer later zet klaagster haar reactie pas op schrift. De Accountantskamer stelt dat klaagsters hierdoor voldoende tijd hadden om te reageren. Bovendien was er nog voldoende tijd om een nieuwe accountant in te schakelen. Betrokkenen hoefden daarom in dit geval niet eerst een waarschuwing te geven.

Bij dezelfde opzeggingsbrief van 19 oktober 2015 vermeldde betrokkenen dat zij de controleopdracht van 2013, ondanks veel problemen, alsnog zouden gaan afronden. Op 24 december 2015 wordt evenwel ook deze controleopdracht opgezegd. Betrokkenen hebben onvoldoende duidelijk gemaakt wat hiervoor de aanleiding was. Klaagsters mochten er na de brief van 19 oktober 2015 van uitgaan dat betrokkenen de controleopdracht van 2013 zouden afronden. De Accountantskamer oordeelt dat betrokkenen in dit geval wel eerst een waarschuwing hadden moeten geven. Dat geldt eens temeer omdat klaagsters hierdoor in dringende tijdnood kwamen om de controlewerkzaamheden af te ronden. De Accountantskamer concludeert dat deze opzegging te abrupt was.

Klaagster heeft in haar klacht geen onderscheid gemaakt tussen beide accountants. De Accountantskamer overweegt dat gelet op het feit dat één van de betrokkenen de opdracht heeft aanvaard alsook (te rauwelijks) heeft opgezegd, slechts hem dit tuchtrechtelijk is aan te rekenen. De Accountantskamer verklaart de klacht ten aanzien van die betrokkene gedeeltelijk gegrond en ten aanzien van de andere geheel ongegrond. Gelet op het feit dat er voorafgaand aan de opzegging advies bij een derde is ingewonnen, alsmede dat de betreffende betrokkenen uit eigener beweging heeft verzocht zijn vergunning voor het doen van wettelijke controles in de trekken, acht de Accountantskamer gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel gepast en geboden.

De Accountantskamer 3 april 2017, ECLI:NL:TACAKN:2017:23

http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TACAKN_2017_23