Vrijspraak belastingadviseur nu niet hij, maar de maatschap was gehouden tot het doen van de Wwft-melding

Verdachte (een belastingadviseur) wordt verweten geen melding te hebben gedaan van een ongebruikelijke transactie. Het gaat om een vaststellingsovereenkomst van € 225.000 waarbij in het jaar 2013 een contante betaling is verricht van meer dan € 15.000.

De verdachte stelt echter dat hij niet kan worden aangemerkt als ‘instelling’ in de zin van de Wwft en alsdan ook niet meldingsplichtig was. Sinds de wijziging van dit begrip per 1 januari 2013 kan een individuele beroepsoefenaar alleen dan als instelling worden aangemerkt als hij geheel zelfstandig opereert. Als de beroepsbeoefening plaatsvindt in de vorm van een rechtspersoon of vennootschap, dan wordt de rechtspersoon of vennootschap als instelling aangemerkt. Het OM stelt evenwel dat verdachte als natuurlijk persoon is gedagvaard omdat de maatschap waarvan hij deel uit maakt, geen rechtspersoonlijkheid heeft en om die reden niet strafrechtelijk zou kunnen worden vervolgd.

Volgens de Rechtbank blijkt uit de memorie van toelichting dat de wetswijziging van het begrip instelling is gebaseerd op de praktijk, waarbij individuele beroepsbeoefenaars vaak niet zelf een ongebruikelijke transactie mogen melden. Dit wordt meestal overgelaten aan de compliance afdeling van een organisatie. Als een belastingadviseur of accountant zelfstandig zou werken, dan zou hij aangemerkt worden als instelling. Maar wanneer hij in het kader van een organisatorische eenheid werkt, rusten de verplichtingen uit de Wwft op die organisatie.

Verdachte heeft zijn werkzaamheden als belastingadviseur verricht namens zijn accountantskantoor, een maatschap. Dit kantoor heeft ook aan de cliënt gefactureerd voor de werkzaamheden van de belastingadviseur. Derhalve rustte de verplichtingen op de maatschap en niet op verdachte. In tegenstelling tot wat het OM heeft gesteld kan deze maatschap wel degelijk strafrechtelijk worden vervolgd. In artikel 51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt onder meer de maatschap met een rechtspersoon gelijkgesteld.

De Rechtbank verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bron

Rechtbank Amsterdam 30 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3968

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2016:3968