Waarschuwing en berisping voor 2 accountants die oud kantoorgenoot beschuldigden van malversaties

Betrokkenen (Y1 en Y 2) hebben volgens klager gehandeld in strijd met de voor hen geldende
gedrags- en beroepsregels door ongenuanceerde en niet bewezen beschuldigingen aan het adres van klager en zijn echtgenote te verspreiden. Klager was de oorspronkelijke eigenaar van een accountantskantoor. Hij verkocht zijn aandelen in 2011 aan de twee betrokkenen, maar bleef er samen met zijn echtgenote werken. Twee jaar later strandde de samenwerking vanwege strubbelingen. Klanten van het kantoor kregen de gewraakte brief, met daarin de mededeling dat klager en zijn echtgenote vertrokken waren vanwege gebleken ernstige financiële malversaties en ernstige benadeling van het kantoor.

De Accountantskamer verwerpt het verweer van betrokkenen dat slechts geklaagd kan worden over handelen “in het kader van specifieke accountantswerkzaamheden”, en niet over “een geschil met een voormalig vennoot over diens schending van het relatie- en/of concurrentiebeding”. Onder de VGBA heeft het tuchtrecht niet de door betrokkenen bepleite beperkte reikwijdte. Weliswaar is het fundamentele beginsel van integriteit als bedoeld in artikel 2 onder b van de VGBA op grond van artikel 3, tweede lid, van de VGBA alleen van toepassing “bij de uitoefening van zijn beroep” en wijst de toelichting op dit artikel daarbij allereerst op het verlenen van een professionele dienst, dat neemt niet weg dat er bij een grammaticale uitleg van dit begrip geen grond is om te oordelen dat gedragingen van een accountant in het kader van zijn zakelijke relatie met een andere accountant daar niet onder vallen. Steun daarvoor vindt de Accountantskamer ook in (de toelichting op) artikel 42 van de Wab (het is niet de bedoeling is het tuchtrecht te beperken tot het beroepsmatig handelen in enge zin) en in de toelichting op artikel 6 van de VGBA (het eerlijk en oprecht optreden van een accountant, dat het fundamentele beginsel van integriteit van hem verlangt, houdt ook in dat hij eerlijk zaken doet en de waarheid geen geweld aandoet).

Voor wat betreft de inhoud van de klacht overweegt de Accountantskamer dat datgene waarvan betrokkenen klager en zijn echtgenote betichten neerkomt op het niet naleven van het relatie- en het concurrentiebeding in de managementovereenkomst. Dat handelen rechtvaardigt naar het oordeel van de Accountantskamer niet het gebruik van het woord “malversaties”. Dat impliceert
immers dat er sprake is van verduistering van toevertrouwde gelden of van fraude. Ter zitting hebben betrokkenen desgevraagd verklaard dat de formulering in de waarin wordt gesproken over ‘’malversaties’’ hen is aangereikt door de advocaat die hen heeft bijgestaan in de eerder gevoerde kortgedingprocedure.

Daaruit leidt de Accountantskamer af dat zij in die brief bewust het woord “malversaties” hebben gebezigd en dat het bezigen van dit woord niet voortkwam uit boosheid of onnadenkendheid. De stelling dat klager de kwalificatie “malversaties” over zichzelf heeft afgeroepen, is volgens de tuchtrechter onvoldoende feitelijk onderbouwd. Gezien het vorenstaande hebben betrokkenen met de hiervoor bedoelde uitlatingen de waarheid geweld aangedaan. Hierdoor hebben zij gehandeld in strijd met het in de VGBA opgenomen fundamentele beginsel van integriteit. De klacht moet dan ook in zoverre gegrond worden verklaard.

De Accountantskamer rekent het beide betrokkenen aan dat zij bewust zijn overgegaan tot het in een sterk negatief daglicht zetten van klager (en zijn echtgenote) in een brief die is gezonden naar een aanzienlijke groep derden. Voor zover de klacht is gericht tegen betrokkene Y2 acht de Accountantskamer de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Voor zover de klacht is gericht tegen betrokkene Y1 acht zij de maatregel van berisping passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer in aanmerking genomen dat betrokkene Y] niet alleen de, brief maar ook e-mails heeft gestuurd, zonder enige nuancering in verband met het (in rechte vaststaande) vonnis.

Accountantskamer, 15 februari 2016, zaaknummer 15/822 & 15/823 Wtra AK

http://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/accountants/uitspraak/2016/ECLI_NL_TACAKN_2016_12